De Hasselaar 1 mei 2020

De ontdekking van Alfred Russel Walles


Alfred Russel Wallace, de Engelse naturalist, tijdgenoot, landgenoot en collega van Charles Darwin, reisde van 1854 tot 1862 door Maleisië en Nederlands Indië. Tijdens zijn verblijf op de Aru-eilanden ontdekte hij een exemplaar van de Koningsparadijsvogel. Zoals hij beschrijft in zijn boek “Het Maleise Eilandenrijk” was dit één van de doelstellingen waarvoor hij naar het Verre Oosten was gegaan. De Aru-eilanden liggen ten zuiden van het westelijk deel van Nieuw-Guinea en waren in die tijd vrijwel onbekend.

Wallace beschrijft hoe emotioneel hij was toen hij zijn vondst aanschouwde. Hij zegt: “voor het beschrijven van de opborrelende emoties in de geest van een natuurvorser, vooral wanneer het zoiets weergaloos zeldzaams en moois betreft, moeten alle dichterlijke registers worden opengetrokken”. Het moet dus wel een heel mooie vogel zijn geweest. Hij zegt verder de hij zich bevond op een afgelegen eiland, gelegen in een onbevaren zee, ver van alle koopvaardijroutes, dat het begroeid was met een woest en weelderig tropisch woud en dat er ruwe en onbeschaafde wilden woonden.
Alleen deze onbeschaafde wilden hadden tot dan toe deze “ juweeltjes” kunnen bekijken, “zonder een intelligente waarnemer om hun schoonheid te appreciëren”.
Hij zegt verder dat als anderzijds “de beschaafde mens ooit deze verre streken zou bereiken en zedelijke, intellectuele en fysieke verlichting zou brengen in de uithoeken van de ongerepte bossen” je met zekerheid zou kunnen voorspellen “dat hij het fraaie evenwicht tussen de organische en anorganische natuur dermate zou verstoren dat het de verdwijning en tenslotte de uitsterving tot gevolg zou hebben van uitgerekend de wezens waarvan alleen hij de prachtige vorm en schoonheid kan waarderen en genieten”.

Hij zegt dus dat alleen de “beschaafde westerling” instaat is om dit mooi te vinden, die “wilden” kunnen dat niet want die zijn “onbeschaafd”. Maar hij heeft wel door dat die “ beschaafde” westerling er zo wie zo een zootje van maakt als hij op het toneel verschijnt.

Wallace wist dit toen, midden 19de eeuw, ook al. Wij ondervinden nu de effecten van wat de “beschaafde mens” in de voorbije eeuwen op onze planeet heeft uitgespookt. De “onbeschaafde wilden” zullen daar weinig aan hebben bijgedragen, maar ondervinden er nu nog meer dan wij de gevolgen van.
Wallace concludeert verder dat “uit deze beschouwing heel duidelijk blijkt dat al wat leeft niet voor de mens is gemaakt” en verder dat “de cyclus van dieren onafhankelijk is van die van de mens en wordt verstoord of verbroken door elke vooruitgang in de intellectuele ontwikkeling van de mens”. Hij zegt dat de mens uitsluitend uit is op zijn eigen “ welzijn en bestendiging”.  Met andere woorden: “ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke”.

Wallace wist waar hij het over had, ook toen al, midden in de wildernis, tussen al die onbeschaafde wilden, de Papoea’s.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

dertien − 1 =